Budget vierjarenplan goedgekeurd

Contour
Vierjarenplan

De aspiraties van Minister van Huisvesting Céline Fremault

De Brusselse regering keurde het vierjarenplan 2018-2021 voor de socialehuisvestingssector goed. Een budget van 300 mio euro werd toegekend voor de renovatie en het conformeren van sociale woningen. Contour sprak met Minister van Huisvesting Céline Fremault over haar kordate aanpak.

 

Mevrouw de Minister, sinds 2014 bent u Brussels Minister van Huisvesting. Wat is uw visie op de Brusselse openbare huisvesting en, meer algemeen,  op het huisvestingsbeleid?

Céline Fremault : Ik heb altijd gezegd dat kleine of grote huisvestingsplannen niet meer volstaan om het hoofd te bieden aan de wooncrisis. Integendeel, het is zelfs contraproductief om met surrealistische cijfers voor de dag te komen en ervan uit te gaan dat je met een vingerknip alles kan oplossen.

Ik moest de plannen van anderen voltooien, maar van bij het begin van de regeerperiode heb ik meteen ook andere wegen gekozen om te kunnen innoveren waar mogelijk. Ik moest creatief zijn en kiezen voor een gediversifieerd huisvestingsbeleid. Dat betekende nieuwe initiatieven uitwerken naast de klassieke manieren om woningen te produceren.

Grond wordt steeds schaarser en daarom wou ik er verder voor zorgen dat leegstaande gebouwen, lege kantoorruimte en lege verdiepingen boven winkelpanden werden omgevormd tot woningen. Dat is volgens mij een voorbeeld van intelligente verdichting omdat het niets afdoet aan de levenskwaliteit van de Brusselaars maar toch tegemoetkomt aan de uitdaging waarmee de openbare huisvesting in Brussel wordt geconfronteerd. Het succes van dat reconversie-initiatief liet trouwens niet op zich wachten. Sinds 2015 keurde de Regering ondertussen al 22 aankoopprojecten goed en daarmee zijn 1.558 nieuwe woningen gemoeid. Van die 22 projecten zijn er al 11 gerealiseerd en nog 5 andere naderen de voltooiing. Op termijn zorgt dat voor om en bij de 1.162 woningen.

De procedures verlopen traag en daarom heb ik samen met de BGHM ook geopteerd om initiatieven uit te werken voor de aankoop van sleutelklare woningen. Het enorme voordeel van dergelijke procedure is dat die projecten al over een stedenbouwkundige vergunning beschikken en dat sommige werken ondertussen al zijn gestart. Hierdoor kan je veel sneller woningen ter beschikking stellen, terwijl dat niet duurder uitvalt dan de woningen die de publieke operatoren zelf bouwen. Wij hebben het hier dus over een volledig nieuwe manier om razendsnel woningen te produceren en we vermijden die lange fase waarin stedenbouwkundige vergunningen worden voorbereid en uitgereikt. En dan heb ik het nog niet over de eventuele beroepen die soms tegen stedenbouwkundige vergunningen worden aangetekend. Stel u voor,  wij kunnen hierdoor onze planning met ettelijke jaren inkorten! Ook de private projectontwikkelaars doen er hun voordeel bij want zij sparen de volledige commercialiseringsfase uit. Het is dus een win-winsituatie voor zowel openbare als private stakeholders. Net zoals het Woningfonds dat vorig jaar met succes voor mekaar kreeg, volgde de BGHM mijn aanbevelingen en publiceerde op 23 februari jongstleden « een belangstellingsoproep » aan de privé sector om zodoende voor nog meer « sleutelklare » woningen te zorgen. Die « belangstellingsoproep » zal de sociale mix te Brussel bovendien ten goede komen, aangezien deze voorbehouden is voor woningprojecten in de gemeenten waar het quotum van 10% openbare woningen nog niet bereikt is[1]. Ik denk in dat verband aan het MIPIM-salon (het salon van de internationale markt van de vastgoedprofessionals) en ik ben ervan overtuigd dat dit de belangstelling zal opwekken van private vastgoedontwikkelaars die hopelijk talrijk op die oproep zullen reageren.

Op uw initiatief heeft de Brusselse Regering een ambitieus vierjarenplan goedgekeurd. Op 29 juni 2016 keurde u ook de financiering van een investeringsprogramma bis (2016-2017) goed voor de prefinanciering van de studies die noodzakelijk zijn om het programma 2018-2021 op te stellen. Hoe zal u die middelen aanwenden ?

CF : De renovatie van sociale woningen is zonder twijfel één van mijn prioriteiten wat huisvestingsbeleid betreft. De afgelopen jaren werden er aanzienlijke bedragen gereserveerd en dat blijft ook zo om dat beleid te bestendigen. Dit principe voor de terbeschikkingstelling van de begrotingsmiddelen om de veiligheid, de conformiteit en de prestatie van de woningen te waarborgen, is natuurlijk essentieel. Het is gericht op de kwaliteit van de sociale woningen. Wij hebben het hier over 2.754 woningen, sinds 2002 gerenoveerd, waarvan 365 in het kader van het laatste vierjarenplan 2014-2017.

Voor het vierjarenplan 2018-2021 zal die nieuwe enveloppe van 300 miljoen euro toegekend worden aan het renovatiebeleid en het conform maken van het gewestelijk patrimonium. Dat zal zowel de veiligheid van de woningen als de levenskwaliteit van de huurders ten goede komen.

Voor het nieuwe vierjaarlijkse financieringsprogramma 2018-2021 wil ik de termijnen waarin de BGHM en de OVM’s hun projecten uitwerken terugdringen door korter op de bal te spelen en de renovatiedossiers van sociale woningen van bij de aanvang beter voor te bereiden. Voor sommige van de geselecteerde projecten bestaat er immers al een haalbaarheidsstudie en voor andere werden er al structurele bodemproeven verricht. Het is de eerste keer dat de BGHM de dingen zo aanpakt, helemaal aan het begin van de projecten. Dat was de bedoeling van het vierjarenplan bis (2016-2017) waarvoor ik 45,3 miljoen euro met daar bovenop een bedrag van 8,8 miljoen euro voor de haalbaarheidsstudies heb uitgetrokken. Zodra de financiering is goedgekeurd, wordt hiermee kostbare tijd bespaard aangezien de projecten hiermee voor de OVM’s en de BGHM duidelijker afgelijnd zijn. Om de OVM’s ertoe aan te zetten hun planning na te leven, zal de BGHM een incentive- en sanctiesysteem invoeren om de maatschappijen te responsabiliseren zonder de sociale huurder te straffen.

Wanneer beschouwt u die renovatiewerken een succes?

CF : Het is een werk dat onophoudelijk verricht moet worden. Het Gewest heeft aanzienlijke begrotingsmiddelen vrijgemaakt. Zoals ik zo-even zei, komt het er nu op aan het renovatieritme in een hogere versnelling te brengen.

Er wordt veel gesproken over de veiligheid van de openbare woningen. Wat zijn de prioritaire punten inzake veiligheid voor dat plan 2018-2021? Waarom is het zo belangrijk om hierin te investeren?

CF : De brand in het Londens torengebouw en de brand in de Séverinstraat enkele maanden geleden hebben niemand ongeroerd gelaten en hebben eens te meer herinnerd aan de brandveiligheid van woonblokken en vooral aan de problematiek van hoge gebouwen. Ik bedoel hiermee gebouwen van meer dan 25 meter hoog. Dat zijn ongeveer 8 verdiepingen.

Na dat incident heb ik de BGHM onmiddellijk de opdracht gegeven om voor de hele sector alle nodige preventiemaatregelen te nemen. Ik heb de BGHM uitdrukkelijk opgedragen hiervan een prioriteit te maken en alle maatregelen te nemen om de veiligheid van de sociale huurders te waarborgen.

De BGHM heeft mij bevestigd dat alle woningen van de OVM’s ondertussen over conforme rookmelders beschikken, behalve enkele woningen van huurders die de OVM de toegang tot de woning weigerden.

Aansluitend op mijn vraag om alle nodige maatregelen te nemen inzake brandpreventie, heeft de BGHM in de loop van juli 2017 beslist om de uitvoering van een enquête over hoge gebouwen van ten minste 25 meter hoog in de sociale huisvestingssector aan de DBDMH toe te vertrouwen.

Die enquête loopt momenteel en op basis van de in bezochte gebouwen opgetekende vaststellingen zal de BGHM een actieplan opstellen.

Risico’s kun je natuurlijk nooit helemaal uitsluiten en precies daarom vind ik dat preventie de eerste en de beste waarborg is als het op de veiligheid van de huurders aankomt.

Om de renovatie te bespoedigen, werkt u aan nieuwe oplossingen voor doorschuifprojecten. Kan u hierover iets meer vertellen, bijvoorbeeld wat de modulaire paviljoenen betreft?

CF : Het klopt wat u zegt. Het gaat hier om een vernieuwend antwoord op de moeilijkheden waarmee de OVM’s geconfronteerd worden als zij voor sommige grote renovatieprojecten hun huurders elders moeten huisvesten.

Dat innoverende project van modulaire paviljoenen, dat reeds ingang vond bij onze Europese buren, moet de renovatie van het sociale woningenbestand nog meer versnellen terwijl de huurders tijdens de renovatiewerken aan het gebouw in hun vertrouwde buurt kunnen blijven wonen. Dergelijke geprefabriceerde en duurzame woonpaviljoenen vergen een beperkte bouwplaatsinstallatie en leveren aanzienlijke tijdswinst op wat fabricatie en installatie ervan betreft. In dat verband zal de BGHM binnenkort modulaire paviljoenen installeren in de Modelwijk en in Peterbos.

Op mijn initiatief heeft de Brusselse Regering bovendien een miljoen euro vrijgemaakt in het kader van een projectoproep voor de installatie van dat soort woningen. Alle geselecteerde projecten kunnen een maximumsubsidie van 200.000 euro genieten voor de verwezenlijking van het project. Die projectoproep is voor het Brussels Gewest een primeur en steunt de Brusselse sector van verenigingen die inspanningen leveren om aan de nijpende vraag naar woningen tegemoet te komen. De projectoproep moet niet alleen voor woningen zorgen, maar zal ook rekening houden met de opvolging en de begeleiding van de huurders voor wie die modulaire woningen bestemd zijn.

1% van de enveloppe van het vierjarenplan is voorbehouden voor culturele initiatieven voor de bewoners. Wat is het belang en de impact van de 101e %-projecten voor het samen leven in de sociale huisvestingssector?

CF : Alle projecten, ongeacht de omvang en het doel ervan, moeten de levenskwaliteit van de bewoners ten goede komen. Het welzijn van de bewoners hangt in de eerste plaats af van het recht op een behoorlijke woning, maar daar houdt het niet mee op. Om te voldoen aan de kwaliteitseisen die de Regering in het kader van de uiteenlopende renovatie- en bouwprojecten van sociale woningen in ons Gewest bepaalde, moet een woning niet alleen aan de bewoners zijn aangepast, maar ook in de omgeving ervan geïntegreerd zijn. En dat is precies het nut van het zogenaamde « 101e %-programma » waarmee het verband kan worden gelegd tussen de woningen en de onmiddellijke omgeving ervan. Een programma waarmee een woonomgeving ook een culturele en artistieke dimensie krijgt en waarbij er wordt op gelet dat de bewoners zich in die dimensie kunnen vinden door hen actief bij de uitwerking van de projecten te betrekken. In dat kader heb ik de BGHM ook gevraagd om voor 2018 een projectoproep te richten tot de OVM’s om de aanleg van speelpleinen aan te moedigen zodat sociale huurders in hun onmiddellijke omgeving kunnen rekenen op ruimten voor spel en recreatie.

U bent ook Minister van Leefmilieu. Zal het nieuwe vierjarenprogramma 2018-2021 volgens u een positieve invloed hebben op de energiewaarde van het woningenbestand van onze sector?

CF : Absoluut. Daar ben ik van overtuigd. Het energieverbruik en de broeikasgassen verminderen, de energiearmoede bestrijden en het comfort van de huurders verbeteren, en tegelijkertijd hun lasten verminderen, dat staat er voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest allemaal op het spel.

De renovaties die in het kader van het nieuwe vierjarenplan worden uitgevoerd, moeten in de mate van het mogelijke allemaal aan die dimensie meewerken. Bovendien bepaalt het BWLKE (Brussels Wetboek van Lucht, Klimaat en Energiebeheersing) dat beheerders van een groot vastgoedbestand een Plan voor Lokale Actie voor het Gebruik van Energie (PLAGE) moeten invoeren. Om de OVM’s te helpen om op die reglementering in te spelen en ter ondersteuning van de initiatieven die in die zin reeds werden genomen, startte de BGHM een sectoraal PLAGE-programma op.

De energiedoeltreffendheid van de installaties is uiteraard bijzonder belangrijk, maar volstaat niet om het PLAGE te doen slagen. Een succes wordt het alleen maar als ook de gebruikers verstandig met energie omspringen. In het geval van de OVM’s moet die opgelegde doeltreffendheid gepaard gaan met een sociale verplichting omdat vooral huurders het slachtoffer kunnen worden van energiearmoede. Verscheidene OVM’s hebben er dus op gewezen hoe belangrijk het is dat sociale huurders op hun energieverbruik worden gewezen. Op dat punt werd het PLAGE OVM-systeem in het bijzonder verstevigd dankzij de opleiding van opbouwwerkers die, in nauwe samenwerking met de energieverantwoordelijke, bewoners moeten wijzen op eenvoudige gewoonten waarmee energie kan worden bespaard.


[1] Het betreft de gemeenten Oudergem, Sint-Agatha-Berchem, Etterbeek, Vorst, Elsene, Jette, Koekelberg, Sint-Gillis, Schaarbeek, Ukkel en Sint-Pieters-Woluwe.